Henk had na het eigenaardige avontuur met de eerste klant van Bertus besloten hem aan te nemen voor de avond- en nachtdiensten. Bertus zou de eerste week s’ middags beginnen tot in de vroege avond, om nog een beetje in te komen.
Hij zelf deed overdag de vaste ritten, en Stanley voornamelijk het ziekenvervoer en bracht in de ochtend een busje met gehandicapte kinderen naar school. Henk haalde ze meestal weer op, omdat Stanley tot half vier werkte.
Stanley was van Surinaamse afkomst, bijna twee meter lang, met een indrukwekkend gespierd lichaam. Bertus ontmoette hem op zijn tweede werkdag.
Na het onverwachte afscheid van Bertus, tijdens de eerste rit, had Henk nog bijna een uur gewacht, maar Bertus was niet teruggekomen. Hij had hem nog een paar keer gebeld, zonder resultaat, en was uiteindelijk weggereden.
Bertus belde hem vrij laat in de avond terug, zonder excuses, maar met de mededeling dat de afspraak zeer belangrijk was geweest en onoverkomelijk lang had geduurd.
Henk kreeg verder geen toelichting op het hoe en waarom, waarna Bertus hem vroeg hoe laat hij de volgende dag moest beginnen. Henk wilde eigenlijk nog nadenken voordat hij deze rare kwast een baan zou aanbieden, maar om de één of andere reden deed hij dat niet. Hij zei dat morgen niet zo goed uitkwam, maar dat hij zaterdag om één uur kon beginnen. Bertus vond dit geen probleem en hing op.
Normaal gesproken was Stanley niet aanwezig op zaterdag, maar op aandringen van Henk was hij toch even rond het middaguur langsgekomen. Voornamelijk om Bertus te ontmoeten, maar ook voor een onverwacht ritje naar het vliegveld.
Zijn buurman ging op vakantie, en met toestemming van Henk had Stanley aangeboden hem tegen een gereduceerd bedrag weg te brengen met het busje, zodat alle koffers, kinderen en zijn vrouw ruim mee konden.
Bertus stapte het kleine kantoortje annex wachtruimte binnen, waar hij zijn ritten kon afwachten. De dochter van Henk, Merte, was degene die de telefoon aannam en de chauffeur(s) aanstuurde, samen met de vrouw van Henk.
De vrouw van Henk had Bertus al eerder aan de telefoon gehad, toen hij Henk had teruggebeld na het incident van de eerste dag, maar nog niet gezien. Ze was een stevige dame van in de vijftig, met een vriendelijk gezicht. Waarschijnlijk zeer aantrekkelijk in haar jonge jaren, maar flink zwaarder geworden in de tussenliggende tijd. Haar dochter kon ermee door maar leek helaas veel op haar vader.
Beiden waren aanwezig, samen met Stanley. Henk kwam niet veel later binnen.
Zoals gewoonlijk sprak Bertus weinig. Hij zei hallo en stelde zich voor als Bertus Olieslager. Stanley stond op vanachter een tafel waaraan nóg drie stoelen stonden.
‘Zo dus jij bent die zwijgende geheim agent,’ zei hij met een brede grijns.
Stanley had het vreemde verhaal van Henk gehoord en geloofde er eigenlijk maar weinig van. Henk had altijd grote verhalen die met een korreltje zout moesten worden genomen. Op zich viel dat wel mee maar dat was wat Stanley vond.
Stanley geloofde bijna niemand, behalve zijn moeder. Zijn moeder had altijd gelijk, en dat was ook zo. Waarin ze gelijk had, was meestal buitengewoon triviaal, maar ze had gelijk. Stanley was als enig kind opgevoed door zijn alleenstaande moeder en was zeer aan haar gehecht.
‘Ja ik denk het wel,’ antwoordde Bertus. ‘Maar als je het niet verder vertelt, dan laat ik je leven,’ zei hij — in het kader van het verhaal waar Stanley op doelde — met een uitgestreken gezicht.
De brede lach van Stanley verdween als sneeuw voor de zon, en hij keek Bertus licht verbaasd aan.
‘Geintje man, laten we goed beginnen,’ lachte Bertus hem toe. ‘Ik ben, net als jij, taxichauffeur en hoop dat ze in deze regionen niet al te scheutig zijn met fooi. Ik kan wel wat geld gebruiken.’
Stanley keek hem nog even scheef aan en begon weer te lachen.
‘Volgens mij ben jij wel een beetje een rare vogel, maar dat maakt niet uit.
Is misschien niet eens zo’n slechte eigenschap als je taxichauffeur wilt zijn.’
Merte was inmiddels ook opgestaan, liep naar Bertus toe en stak haar hand uit. Bertus schudde haar de hand.
‘Ik ben Merte, de dochter van Henk. Dat is mijn moeder, Marian.’
Marian stak haar hand op en groette hem.
‘Ik ben samen met mijn moeder centralist en stuur je overal naar toe,’ zei ze onnodig bazig.
‘Ok, zeg het maar, waar moet ik heen?’
Merte keek hem aan en liep terug naar haar bureau. Ze zag op het scherm van haar computer dat de rit van Rob nog openstond en dacht: dat is een goed begin.
‘Je mag naar de Ringvliet nummer 43. Daar woont Rob, en die gaat zijn dagelijkse ritje naar de kroeg maken.
Hij is soms al bezopen op dit tijdstip dus let een beetje op hem.
Aardige vent verder maar soms is die een beetje smerig.’
‘Smerig?’
‘ Ja als het wat verder in de week is dan wordt hij een beetje smerig, maar daar kom je zo wel achter. Nou veel succes en ik hoor je zo op de mobilofoon als je klaar bent.
Haar moeder stond op en liep naar een kastje naast het bureau. Ze pakte een autosleutel en gaf die aan Bertus.
‘Wees er voorzichtig mee, hij is bijna nieuw.’
Bertus knikte en liep het kantoor uit, de garage in, waar een aantal taxi’s stonden. Op het label van de sleutel stond het kentekennummer van een Audi die voor de openstaande garagedeur geparkeerd stond. Hij voelde het gesprek wat gaande was in het kantoor goed aan, maar stoorde er zeg niet aan.
‘Mooie bak,’ dacht hij hardop en stapte in.
De wagen rook nieuw. Bertus stelde de stoel naar zijn voorkeur in en inspecteerde het interieur. Het dashboard was indrukwekkend, maar hij kon alles wat van belang was snel vinden. Hij had al eerder in dit model gereden. Hij stelde de boordcomputer in op voice command en sprak vervolgens het adres in. Nadat de navigatie was ingesteld, startte Bertus de auto en reed de garage uit, onderweg naar zijn eerste echte klant.
Het was niet ver, en Bertus arriveerde na ongeveer tien minuten bij het adres. Hij stapte uit en belde aan. Na enige tijd hoorde hij gestommel achter de deur en, nog wat later ging de deur open.
De man die tevoorschijn kwam, leek op een vriend van hem uit zijn late jeugd. Bertus keek hem onderzoekend aan, maar kon hem niet direct plaatsen.
‘Ken ik jou?’ vroeg Rob. ‘Je kijkt alsof ik je ken. Ik ben Rob.’
’Nee volgens mij niet,’ zei Bertus waarna Rob de deur uitstapte.
Ze liepen het korte stuk naar de auto, waar Bertus de achterdeur opendeed en Rob instapte.
‘Mooi bak, chauf!’ zei Rob bewonderend, nadat ook Bertus was ingestapt en zijn gordel had omgedaan.
‘ja toch, mooie bak,’ beaamde Bertus.
‘Waar gaan we naar toe?
‘Vandaag ga ik op reis, dus naar het vliegveld chauf.’
Bertus keek hem aan in de spiegel en zag niet direct het beeld dat Merte van deze man had geschetst.
‘Welk vliegveld?’ vroeg hij.
‘Het enige echte en het grootste,’ antwoorde Rob.
Bertus voerde de gegevens in en startte de auto. De man zei verder niets meer, totdat ze de rijksweg opreden.
‘Ik ga niet op reis, althans niet nu,’ zei hij onverwachts.
Bertus keek op en vroeg zich af of rob het tegen hem had of tegen zichzelf.
‘Wel nog steeds richting het vliegveld?’ vroeg hij na een korte stilte.
‘Ja tuurlijk waar wou je anders heen dan?’
‘Geen idee, maar omdat je net zegt dat je niet op reis gaat.’
‘jazeker wel, ik ga naar Marbella, twee weken, effe lekker niks doen. Klink goed toch?’
‘Wat mij betreft wel,’ gaf Bertus toe, ‘maar nogmaals je zei net dat je niet op reis gaat.’
‘Ach daar bedoel ik niks mee, waarom ga je niet mee? Gezellig man er met zijn tweeën tussenuit. Ik ken je niet maar volgens mij ben je wel een goede gast.’
Bertus keek hem weer aan en begon te begrijpen dat het niet helemaal goed ging daarboven bij Rob. ‘Ik denk niet dat dat gaat lukken, maar in Marbella zul je genoeg gezellige mensen tegenkomen, dus maak je daar geen zorgen over.’
‘Je gaat niet mee?’
‘Nee vriend ik ga niet mee.’
‘Draai dan maar om, ik heb geen zin meer om op vakantie te gaan.’
Bertus begon al aardig door te krijgen waarmee hij te maken had, maar was toch enigszins verbaasd over het resolute besluit van Rob.
‘Ok, dus niet naar het vliegveld, waar wil je wel heen dan?’
‘Hebben ze dat niet verteld op de centrale?’
‘Jawel ze hadden het over je stamkroeg waar je naar toe zou gaan.’
‘Nou dan, wat doen we in godsnaam op de snelweg? Draaien die kar en op naar de kroeg. Je bent me toch niet op kosten aan het jagen, hè? Deze weg heb ik nog nooit gereden. Het moet niet te gek gaan worden anders dien ik een klacht in bij je baas.’
Bertus deed zijn richtingaanwijzer aan om de afslag te nemen en weer terug te keren naar het dorp. ‘Ok op naar de kroeg dan. Weet je het zeker?’, vroeg hij nog.
‘Ja tuurlijk waar zou ik anders heen moeten, ik ga elke dag naar dezelfde kroeg.’
Bertus begon er een beetje genoeg van te krijgen, maar begreep ook dat deze warrigheid niet bewust was bedoeld.
Ineens hoorde hij de man zachtjes lachen, of het klonk als lachen. Hij keek in de spiegel en zag hoe de man, met zijn trui over zijn hoofd getrokken, richting het raam gebogen zat. En alsof hij voelde dat Bertus naar hem keek, draaide hij zijn hoofd zijn kant op en deed zijn trui goed.
Bertus zag de natte, rood uitgelopen ogen van de man en vermoedde dat het lachen geen lachen was geweest.
‘Sorry man… soms heb ik geen idee meer wie ik ben, wat ik ga doen, of wat ik gedaan heb. Maar evengoed weet ik dan ineens alles weer — ik word er helemaal gek van.’
Meldingen