Bertus en Joyo

Bertus was weer op de centrale, waar Marian die avond dienst had. Merte was op een korte vakantie met haar vriend Beau en werd deze week door Marian vervangen. Stanley zou doordeweeks misschien nog één of twee avonden bijspringen als centralist, afhankelijk van hoe het met zijn moeder ging.

Zij was inmiddels begonnen aan een intensieve chemobehandeling en had zijn steun hard nodig, steun die Stanley haar met liefde gaf. Maar er moest ook geld verdient worden, vond Stanley vrij plotseling, dus nam hij de laatste tijd meer diensten aan, en dus ook diensten op de centrale.  

‘Ik heb een ritje naar België als je zin hebt?’ zei Marian tegen Bertus.
Bertus was niet zo kapot van verre ritten, omdat je dan vaak de hele avond onderweg was met één rit en dus maar één keer fooi kreeg. Maar het was een maandagavond, dus was er sowieso niet zoveel te doen.

‘Kom maar op,’ antwoorde hij, ‘welk adres.’
Ze gaf hem het adres en hij verliet het kantoortje, waar hij in de deuropening tegen Henk opliep.

‘Zo, wil het een beetje vanavond,’ vroeg hij nogal ongeïnteresseerd.
‘Nee nog niet echt, maar heb nu een leuke rit naar België dus ben voorlopig onder de pannen.’ ‘België,’ zei Henk die ineens getriggerd naar Marian keek. ‘Toch niet Joyo, he,’ vroeg hij aan haar. ‘Jazeker wel, Joyo, de enige echte. Hij leeft nog steeds.’

Bertus keek vanuit de garage nog even naar binnen en zag de veelbetekenende blik die Henk naar Marianne wierp.

Wat nou weer, dacht Bertus maar hij had geen zin om er naar te vragen. Hij liep naar de Audi en stapte in. Dat vage gedoe van die twee. Deden ze wel vaker: interessant doen over een klant en dan was het gewoon weer een saaie kneus die hij naar de kroeg moest brengen. Nou ja, hij zou het wel zien wat er nu weer zo bijzonder was. Hij stelde het adres in dat hij van Marian had gekregen en reed naar deze ‘Joyo’.

Aangekomen stapte hij uit en belde aan. Na enige tijd werd de deur opgedaan en verscheen er een zeer goed geklede, wat oudere Indonesische man.

‘Hallo chauffeur mijn naam is Joyo en ik zal een hele tijd in uw auto meerijden.’

Bertus was geamuseerd; dit kon interessant worden. Hij hield de bijrijdersdeur voor de man open, maar Joyo gaf aan dat hij liever achterin zat, tenminste als hij dat niet vervelend vond.
Bertus gaf aan dat de klant koning was en opende de achterdeur. Joyo nam plaats op de achterbank.

‘We gaan ver rijden, chauffeur. Mag ik uw naam weten?’
‘Bertus.’
‘Ah, heel vriendelijk van u, meneer Bertus, heeft u tijd, of heeft u een gezin?’
‘Ja en nee. Niet dat ik weet,’ zei Bertus droog.

‘Eigenlijk wist ik dat al,’ zei Joyo. ‘Ik heb u al een beetje nagevraagd. Als het aan mij ligt gaan we veel verder dan wat ik bij Marian heb aangegeven. Ik moet er even tussenuit, maar heb geen idee waar de chauffeur mij naartoe wil brengen. Vergeef me mijn onduidelijkheid, Bertus, ik zal u bij uw naam noemen zoals het hoort. Als u het u schikt, dan gaan we zover als u wilt. Ik heb geen enkele binding met deze plek, dus alles is goed.

Bertus vond deze situatie, ondanks het vreemde voorstel, geruststellend. ‘Meneer als u zegt waar u naar toe wilt dan gaan we daar naar toe.’

‘Oké, dan gaan we naar de Molukken. Ik ben daar al jaren niet meer geweest en daar wil ik naartoe.’

‘Dat is nogal een eind,’ zei Bertus. ‘Maar goed, ik ben ook toe aan wat nieuws, dus we zien wel waar we uitkomen.’ 

Hij meende het nog ook. Als deze oude Indonesische  man naar de Molukken wilde, dan zou hij zien hoever hij hem kon brengen. Dus tóch interessant, bedacht Bertus zich.

‘In 1962, na de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea aan Indonesië, ben hier als kind met de boot naartoe gekomen. Ik was elf jaar toen ik aankwam, en al is het vaak ter spraken geweest, het is er nooit van gekomen om terug te gaan. En nu wil ik niets anders meer, voordat ik dood ga. Ik heb geen idee of het überhaupt mogelijk is om er met een auto te komen?’

Bertus keek in de spiegel naar de montere oude man die hem vragend aankeek.

‘ik ook niet, volgens mij zit er flink wat water tussen ons en de Molukken,’ gaf hij als antwoord.
‘We kunnen kijken wat de navigatie aangeeft. Heeft u een plaatsnaam?’

‘Ik ben geboren in Masohi op het eiland Seram. Dat is de hoofdstad van het regentschap Maluku Tengah.

Bertus voerde de gegevens in en kreeg een route voorgeschoteld die naar alle waarschijnlijkheid zes tot acht weken zou duren en door behoorlijk gevaarlijke gebieden zou leiden.

‘Is het vliegtuig geen beter idee?’ vroeg hij.

‘Ja, waarschijnlijk wel, maar dat is precies waarom het er nooit van gekomen is. Ik ben als de dood voor die dingen. Nee, de enige manier voor mij om daar te komen is met de auto en de boot.’

‘En de boot, vanaf hier bedoel ik, is dat geen optie?’ stelde Bertus voor.

Joyo schudde zijn hoofd. ‘Een directe cruise vanuit Nederland is praktisch onmogelijk. Je moet dan toch vaak eerst met het vliegtuig naar een vertrekhaven, en… om eerlijk te zijn ben ik ook geen liefhebber van boten. Op de heenreis ben ik zo’n beetje de hele reis ziek geweest.’

Hij keek Bertus verontschuldigend aan en vervolgde: ‘Ik begrijp de absurditeit van mijn verzoek, en ga er volledig vanuit dat u geen zin heeft om met een oude man, of met wie dan ook, zo’n onderneming aan te gaan op een doordeweekse dag. Vergeet wat ik u heb gevraagd. Laten we naar Antwerpen rijden of zo. Dat is ook leuk.’

Bertus zei niets en dacht na over het voorstel. Het was een lange reis, met een oude man die hij niet kende. Met sommige mensen voelde een ritje van tien minuten al als een eeuwigheid. Hij had het vermoeden dat het met Joyo wel uit te houden zou zijn. Maar goed, wekenlang door landen als Kazachstan of Cambodja reizen met een bejaarde reisgenoot — ook al oogde hij nog verassend fit — zou dat een goed idee zijn?

Geen idee. Het leek niet echt op een roadtrip die hij ooit zelf verzonnen zou hebben. Aan de andere kant, al die landen die ze zouden doorkruizen. Plekken waar hij al jaren niet meer was geweest. Sommige zelfs die hij nog niet had bezocht.

Hij was in Indonesië geweest en op de Molukken, hij had missies u9itgevoerd in de contreien van Irak en Afghanistan. Maar nooit als toerist. Nooit als een onbekommerde toeschouwer.

Het werk als taxichauffeur was op zich best leuk, maar dit leek hem best een uitdaging. Hij was niet onbemiddeld: hij had het geld wat hij verdiende niet echt nodig. Maar of dit haalbaar was?

Henk zou het in ieder geval geen goed idee vinden. En als ze met deze auto wilden gaan, dan zou hij waarschijnlijk de auto moeten kopen. Dat kón, maar wilde hij dat echt?

‘Hoe ziet u dit zelf voor ogen?’ vroeg Bertus.

Joyo streek met zijn hand door zijn nog weelderige donkergrijze haarbos.

‘Ja… ik weet eigenlijk niet precies hoe ik het voor ogen zie,’ gaf hij na een korte, bedachtzame stilte als antwoord. ‘We zullen in ieder geval iets met Henk en Marian moeten afspreken, lijkt me. Ik kan voorstellen dat ik uw salaris voor twee maanden betaal, en de kosten voor de auto. Dat is financieel geen probleem en dat weten ze ook. Dus qua geld komen we er wel uit, denk ik.

Maar heeft u er wel oren naar dan? Het is een lange reis. En ondanks dat u zich geen zorgen hoeft te maken over mijn leeftijd, ik ben nog kerngezond, weet ik niet of ik het gezelschap ben waar u wekenlang mee opgescheept wilt zitten.’

Op dat moment stak er een jonge vrouw over bij het zebrapad waar ze langzaam op af reden. Bertus herkende haar direct, ondanks het schemerlicht. Ze keek op toen de wagen stopte en zwaaide naar Bertus. Ze was net klaar met haar werk en onderweg naar huis. Ze had afgesproken met een vriendin in de stad, en wilde zich nog snel even douchen en omkleden voordat ze vertrok. Ze moest nog best een eind lopen naar huis, dus toen ze Bertus zag, besloot ze dat een taxi wel goed uit zou komen. Ze liep naar de bestuurderskant en Bertus liet het raam zakken. Hij had de meter nog niet aangezet, dus het was niet duidelijk dat er al een klant in de wagen zat. Door de geblindeerde ramen had zij Joyo niet opgemerkt.

‘Oh, je heb al een klant zei ze,’ toen ze achterin keek.
‘ja,’ beaamde Bertus. ‘Ik kan een andere taxi voor je bestellen,’ stelde hij voor.

‘Van mij mag je haar eerst wegbrengen hoor, geen probleem, kun je nog even nadenken,’ zei Joyo.

Bertus keek naar Yasmin en vroeg wat ze wilde.

‘Als je me eerst weg wilt brengen, en meneer vindt het geen probleem, dan heel graag. Ik zou vanavond nog uitgaan met een vriendin, dus dat zou super zijn.’

Bertus knikte. ‘Nou stap in dan,’ zei hij amicaal, ‘dan breng ik je eerst even weg.’

Yasmin opende de deur achter Bertus en stapte in, naast Joyo.